Over ons verleden ...

Afdrukken

Historie

" U zal zich afvragen vanwaar die "de Blauwe Hond" op het antwerpse Zuid? "

Daarom deze geschiedenis ...

Antwerpen moge zijn naam te danken hebben aan de in de Schelde uitstekende landrug: de 'anwerp' of aangeworpen grond ter hoogte van het Steen. De oudste havens lagen ter hoogte van wat wij vandaag het "Zuid" noemen.

Naar een idee van Kardinaal Granvelle en op bevel van de Hertog van Alva, bouwde de italiaanse vestingsexpert Francesco Paccioto Da Urbino en daarna Bartolomeo Campi het zuiderkasteel rond 1567 een voor die tijd oninneembare vijfhoek rond de St. Michielsabdij. Langs stadszijde bleef een open onbebouwd terrein; ter hoogte van de huidige Willemlepelstraat en Rochusstraat; dat als oefen- en schietterrein voor het garnizoen dienst deed.

In 1577 ontruimde de troepen van Philip II de citadel. De Antwerpenaren komen in opstand tegen de Spaanse dwingelandij, het zuidkasteel was half gesloopt en Alexander Farnese bouwde het weer op in 1585.

In de eerste helft van de 18de eeuw werden de oorspronkelijke vijf bastions en de twee halve manen vergroot en aangepast aan de gewijzigde militaire normen.

Na 1815 werd het verdedigingssysteem vervolledigd door de oprichting vóór de citadel, naar het zuiden toe, van de schansen van St. Laureis en het Kiel.

In 1803 bouwde Napoleon de scheepswerven en zijn invasieschool voor Engeland op de puinen van de St. Michielsabdij. De gespaarde abdij gebouwen werden in 1824 door Willem I ingericht als stapelplaats, gevangenis en arsenaal. De muur tussen de oorspronkelijke vestigingsplaats (tot 1982) van de 'de Blauwe Hond' in de Riemstraat 49 en zijn gebuur Mr. A. Liessens, 80cm dik en afgedekt met arduinen dekstenen van 1.40m, is een buitenmuur van dit arsenaal. De Belgische opstandelingen maakten zich meester van Antwerpen op 26 oktober 1830.

Het Hollands garnizoen onder generaal baron Chassie trok zich terug in de vesting. Zich bedreigd achtend liet Chassie op 27 oktober een bombardement uitvoeren dat geweldige schade en paniek veroorzaakte.

Deze dreigende toestand bleef twee jaar aanslepen tot het Franse noorderleger onder maarschalk graaf Gerard de vesting langs het zuiden aanvielen met 65.000 man en een artilleriepark van 152 stukken. Deze poogde het metselwerk te breken en de vijandelijke stukken te vernietigen.

Op 24 december 1832 legden de Hollandse soldaten de wapens neer en de citadel was eindelijk Belgisch geworden.

De regering herstelde de citadel, een wet van 1859 op de vestingsgordel rond Antwerpen liet de oude citadel een eind binnen de perimeter en beroofde haar aldus van elke militaire bruikbaarheid. De afbraak en uitbreidingsplannen volgens Antwerps bouwmeester-ingenieur Hennie Altenroth in 1869 valt te rangschikken onder dereusachtigste werken van de eeuw.

Koning Leopold II bracht op 17 augustus 1874 de eerste houweelslag toe aan het zuidkasteel. Het kasteel; jarenlang het symbool van verdrukking en vernedering der Sinjoren; werd afgebroken. De Duitse bankier Dr. B.H. Strousberg verwerft voor 14 miljoen frank de terreinen van het zuidkasteel (ca. 108 Ha) met als voorwaarde de aanleg van een nieuwe wijk die een havengebied van 49 hectaren moest bevatten. In 1874 draagt deze, elders financiële klappen krijgend, de rechten op het "Zuid" over aan de Societé Immobilière de Belgique die op haar beurt met het stadsbestuur de "Societé Anonyme du Sud d'Anvers" opricht. Minister Beernaert keurt in 1875 het bestek goed voor het graven van dokken en de aanleg van 64 straten waaronder de Riemstraat, genaamd naar een 'riem' om te roeien.

Op Nieuwjaarsdag 1882 werden het Kooldok, Schippersdok en Steendok gelegen aan de Vlaamse en Waalse kaai, plechtig aan de Stad overgedragen.

De mosselschuiten van Bruinisse en Lage Zwaluwe (NL) legden aan in de Schippersdok (meest noordelijk gelegen) aan de Waalse kaai. In het huis naast 'de Blauwe Hond' Riemstraat 51 was een mosselmagazijn (ca. 80M2) gevestigd van de firma Antonis Decleer die voor 80% de mosselmarkt van België in handen had. De paardentram werd geëxploiteerd door de S.A. Des Tramways du Sud d'Anvers van 1873 tot 1899. Recht tegenover de Scheldestraat aan de Scheldekaai bouwde men het station "Pays de Waes", een bootverbinding met de linkeroever die de mensen van 'over het water' dichter bij de stad bracht.

Nog meer leven! En ontelbare cafés! In de Riemstraat met een 30 tal huizen waren er al elf!

Op advies en geholpen door zijn broer die van wanten wist (toen liberaal gemeenteraadslid, 'nen blauwe') bouwde de heer Albert Odeurs in dat zelfde jaar het huis nr. 49 in de Riemstraat. Hij begon in 1883 een winkel in scheepsbenodigdheden, hij verkocht al wat de schipper die aan wal kwam nodig had, van groenten tot zuidwesters, pek, teer en touw en ... tapte wittekens van het vat in zijn zaak. Mr. Odeurs was een bultenaar, zo herinner ik mij in mijn jeugdjaren dat onze winkel in de volksmond 'bij den bult' noemde. Zo gaf men in die tijd een dierennaam aan een winkel. Er was in de Kloosterstraat de drogisterij van mijn nonkel en tante : "De Zeehond", verder het tabaksfabriek van de familie Fransen : "In de Zeeleeuw". Gezien het blauwe bloed van de oprichters werd het: "In den Blauwen Hond"

Deze benaming doet het nog steeds!

In 1919 verkoopt Mr. Odeurs zijn huis aan Mr. Meeusen, Statiestraat 6, Antwerpen en deze verhuurt het aan Jozef Eeckhout, die de zaak verder zet en op de koer een stouwerssmederij inricht. In deze drukke stadswijk deed Mr. Odeurs goede zaken.

Hij liet een hond beeldhouwen in blauwe steen die hij vooraan in zijn winkel plaatste. Voor hij zijn zaak van de hand deed, heeft hij die als geschenk aan de stad aangeboden. Wij hopen hem terug te vinden en een zekere tijd in bruikleen te krijgen.

Het zekere voor het onzekere nemend, hebben wij deze oorspronkelijke vervangen door een pracht van een blauwe Deense dog. De Hippodroom bepaalde als wijds gekende schouwburg 70 jaar lang het bruisend uitgangsleven van het Zuid. Drie branden (1913, 1917 en 1920) konden de beruchte schouwburg niet neervellen. Merkwaardig is het leven er geweest: de ene dag was er een circus met paarden,leeuwen en tijgers, o.a. circus Bush; de andere dag bood het onderdak aan de chansonnière Maria Callas, alsook talrijke revues van het lichtere genre met Fritz Vaerewijck, Robert Marcel, René Bertal en Louike Staal.

Deze ontwikkelingen brachten ook de nieuwe Vismarkt met zich mee. Ze werd overgebracht van bij het Steen naar de Scheldestraat. Daarbij hoorde de "mijn" waar de vis, aangevoerd met platbodems, per opbod aan de man werd gebracht. In een latere periode zijn viswinkels in de stad gekomen en werd de eigenlijke Vismarkt afgebroken. Naast ons, het lager gedeelte van de Riemstraat, was een centrum voor verkoop van koloniale waren met daarachter een crieé of roepplaats., het werd ook een danszaal. Jaren later werd het een haringrokerij van de familie Van den Bemden met als meestergast Charel Van Elverdinghe afkomstig van Nieuwpoort, die op onze eerste verdieping woonde met zijn dochter Gabrielle. Hij werd toen aanzien als de enige nog levende 'Yslandvaarder met de zeilschepen', hij overleed in 1962.

Rond de dokken vestigde zich allerlei handel. Met de beurtschepen kwamen de goederen toe. Het bier kwam van Leuven en Mechelen per schip, o.a. van de brouwerij Van Tilt, Stella, Bryo, Chevalier Marin. Beurtschepen die goederen aanbrachten en meenamen: de beurt op Baasrode – Gent – Diksmuide. Een magazijn van een brouwerij betrekken wij nu, ons huidig bureel bevindt zich in het hoofdgebouw op de eerste verdieping. In de voorgevel van ons bureel, Scheldestraat 31 – 33, staat nog steeds in witte steen ingebeiteld 'Brouwerijen van de gezusters van Tilt te Haacht' Toen waren de resten in de biervaten voor de 'vaatjeslikkers'.

Onze winkel is één van de eerste betonconstructies daterend uit die tijd, er werd in dit pakhuis lampzwart opgeslagen. In 1985 bezocht een oude man nog ons magazijn en hij vertelde ooit nog hier gewerkt te hebben.

Het verder verhaal verplicht mij mijn vader zaliger in te schakelen.

Vader Corneille Martin Van Riet te Essen aan de grens geboren –op 30 juli 1891- in een gezin met 6 zusters en een broer nl. Piet Van Riet (mijn peter) op de boerderij (13Ha) over de beek de "Aa" (een beek) op de weg van den Heuvel naar den Harendonk. Daar groeide hij op in wijsheid en verstand, zoals blijkt uit onderstaand rapport van januari 1907. Aan het "Petit Seminaire A. Hoogstraeten" was hij een voorbeeld van een student: 'une carte blanche 1e categorie', toen zestien-jarig.

Van vader en moeder in overleg met de pastoor van Essen, mocht hij verder studeren op voorwaarde dat hij priester werd. Hij verwerpt dit aanbod en blijft op de boerderij. Zijn vader sterft in 1911.

Op 22 jaar, oorlog 1914, vlucht hij naar Nederland zoals zijn tijdgenoten, overgebracht naar Folkestone (Engeland) en zo terug over het kanaal naar het 'Camp d'Auvours' in het departement Sarthe ca. 200km ten zuidwesten onder Parijs.

Hij wordt ingelijfd in het Belgisch leger . Als fourier (verantwoordelijke voor de verdeling van het eten) werd hij verzocht om eten door soldaat Aimé Monteyne (zijn deel was in een andere hongerige maag terecht gekomen). Soldaat Corneel van Riet gaf zijn maat een extra maaltijd. Door deze geste zijn zij vrienden geworden. Samen streden zij aan het Yzerfront en hebben de oorlog overleefd.

Na de oorlog brachten ze mekaar wederzijdse bezoeken, Aimé woonde in Ramskappelle aan de Yzer bij Nieuwpoort en huwde niet. Zijn broer Alfons Monteyne zet als jongste zoon de boerderij 'De Roode Sterkte' verder.

Deze hoeve van 180Ha -eigendom van de heer Léon Bekaert een ijzerdraad fabrikant uit Zwevegem- was totaal verwoest en werd terug opgebouwd.

Mijn twee broers en ik moesten later met vader mee naar Ramskapelle om zogezegd in de oogst te helpen.

Het huisgezin van Alfons Monteyne met vier dochters en twee zonen van onze leeftijd werden ook onze vrienden, zodat ik in 1953 gehuwd ben met één van de dochters Solange Monteyne.

Na de mobilisatie in 1919 kon vader Corneel Van Riet niet naar de boerderij terugkeren en nam zijn intrek in de Pelgrimstraat 21 te Antwerpen. Hij vond werk bij de firma Biot in de Nationalestraat.

Hij verkocht er sanitair en aanverwante artikelen zoals 'souduur' aan mannen die markten en kermissen op den buiten afdeden om pannen, potten, vorken, lepels, messen, ... te vertinnen of te herstellen. Zo is hij op het Zuid geraakt.

In 1922, na drie jaar werken in de stad, kocht hij een huis in de Riemstraat 49 met een oppervlakte van 215M2 voor 125.000 frank en nam de zaak over van Mr. Van Eeckhout voor 30.000 frank."

door Herman van Riet,

1927-1983

.